In
de jaren ’60 ontwikkelden Prof. Dr. J.H. Jongkees van de Universiteit
van Utrecht en een aantal collega’s plannen voor de oprichting van een
Nederlands archeologisch en historisch instituut in de Peleponnesus. Omstreeks
1967 waren deze plannen in een vergevorderd stadium, maar vanwege de politieke
situatie in Griekenland maakte het noodzakelijk dat deze werden losgelaten.
In het midden van de jaren ’70 hervatte de Universiteit van Utrecht
haar veldwerk in Griekenland en richtte zich op de kartering en survey van
nederzettingen uit de Klassieke en Hellenistische periode. Deze surveys moesten
zich echter beperken, aangezien Nederland geen officieel instituut had in
Griekenland. Voornamelijk op initiatief van wijlen Dr. S.C. Bakhuizen, werd
in 1976 de Archeologische Survey School van Nederland in Griekenland opgericht.
Nederlandse archeologen hadden daarmee de mogelijkheid surveys uit te voeren
maar geen opgravingen, omdat de Griekse wet de opgravingsrechten beperkt tot
de landen die een geheel zelfstandig archeologisch instituut in Griekenland
hebben.
In 1982 richtte men de Stichting voor de Archeologische School van Nederland
in Athene open. In 1984 verklaarde de Griekse regering zich bereid de Archeologische
School van Nederland in Athene te erkennen, onder de voorwaarde dat de school
zijn eigen pand in Griekenland zou hebben, met bibliotheek en fotoarchief,
en dat de directeur van de school een ervaren Nederlandse archeoloog moest
zijn die permanent in Griekenland woonde. De Nederlandse minister van Onderwijs
en Wetenschap was bereid de school voor een beperkte periode financieel te
assisteren , maar vond dat permanente financiering voor de school moest worden
geleverd door de Nederlandse universiteiten. Ondanks het feit dat diverse
universiteiten geïnteresseerd waren in ondersteuning van de school, bleven
rechtstreekse fondsen uit vanwege strenge bezuinigingsmaatregelen in het midden
van de jaren ’80. De minister van Onderwijs zette in 1991 de tijdelijke
steun aan het NIA stop en de situatie werd onhoudbaar. Het bestuur van de
school realiseerde zich dat de meeste Nederlandse universiteiten de Griekse
archeologie alleen (als onderzoeksgebied) beschouwden als een te beperkt gebied
om de aanwezigheid van een zelfstandig instituut te rechtvaardigen. Daarom
werden de activiteiten van de school uitgebreid tot alle studiegebieden die
Griekenland betreffen, De naam van de school veranderde in het Nederlands
Instituut in Athene (NIA). Het bestuur bestond nu tevens uit academici uit
andere gebieden dan de archeologie en een Vereniging van Vrienden vergrootte
de steun aan het instituut tot buiten de academische wereld. Vijf Nederlandse
universiteiten toonden zich bereid het NIA financieel te ondersteunen. Op
1 januari 1994 droeg men de administratie van het NIA over aan de Universiteit
van Amsterdam. Sinds 2000 is de Vrije Universiteit van Amsterdam de zesde
participerende universiteit.
In 1999 verhuisde het NIA naar een prachtig gerestaureerd neoklassiek pand
aan de voet van de akropolis. Het Griekse ministerie van Cultuur heeft het
NIA officieel erkend en de financiering van het instituut lijkt gewaarborgd.
Het NIA functioneert met een volledige staf van zes personen, waaraan met
regelmaat tijdelijke staf wordt toegevoegd.
Het NIA heeft zijn activiteiten op academisch, educatief en cultureel gebied
uitgebreid door het organiseren van colloquia, een groot aantal lezingen,
cursussen en tentoonstellingen.
In 2005 werd een totaal van zes Nederlandse veldwerk projecten in Griekenland
uitgevoerd onder de auspiciën van het NIA.